Spinazie

Mijn lichtgroene vingers kregen vandaag een bruin randje onder hun nagels. Planten hingen als stukgekookte spinazie over de randen van de bloembakken. Snotterige bladeren en modderige takken knipte ik weg. Nog immer geurende lavendel snoeide ik, zodat het deze zomer nog meer geuren kan gaan verspreiden. De stoep veegde ik alsof de koningin op bezoek zou komen.
Onder al het bladerafval piepten tulpen tevoorschijn. Groene puntjes staan fier rechtop in de wintergrond. Ze ruiken de lente, net als ik. De bellen van de ijscoboer klingelden aan het eind van de middag door de straat. Tevergeefs, want wie heeft er nu al z’n portemonnee klaar liggen bij de voordeur, klaar voor een ijskoude ijsco?
De weerman waarschuwde dat er afgelopen nacht maartse buien konden vallen. Maartse buien. In februari zijn het winterse buien en in maart doen ze plots al een stuk voorjaarsachtiger aan.
De lente komt. Nu echt! Godzijdank.

Mama Appelsap

Ik kan niet meer normaal naar liedjes luisteren. Je lipstick stinkt…

Spijkerschrift

Al jarenlang regel ik dat er verschillende schrijvers bij ons op school komen. Van Renate Dorrestein tot aan Arthur Japin en van Tommy Wieringa tot aan Ted van Lieshout! Ge-wel-dig! Ik bel met schrijvers, ik mail ze, ik maak affiches om leerlingen te trekken, ik maak lessenseries om onderbouwklassen voor te bereiden en regel voor de literaire avonden van alles en nog wat. Na verschillende BN’ers word je er op een gegeven moment een beetje immuun voor. De eerste keer zat ik nog stuiterend in de auto toen Arthur Japin bij me instapte, omdat ik hem naar het station moest brengen. Bij schrijver nummer zoveel deed het me niet zoveel meer. Met het grootste deel heb ik zelf ook niet zoveel en dat maakt het georganiseer er omheen al een stuk makkelijker; ik loop niet kwijlend achter ze aan. Been there…
Aanstaande maandag komt Kader Abdolah! KADER ABDOLAH! Hallelujah, wat kijk ik daar naar uit. Ieder mailtje dat ik van hem krijg, laat mij soppen en de boeken liggen al klaar om gesigneerd te worden. Ik sleep mensen aan de haren naar deze lezing en zal er alles aan doen dat dit een feestje wordt. Voor mezelf. Woehaaa!

Br%*#(#loft

Vanaf 27 november tot twee weken terug ontweek ik alles wat met trouwen en bruiloften te maken had. Het voelde bijna als verplichting, als dreigende donderwolk die boven m’n hoofd hing. Stom, want was ík niet de persoon die vriendlief gevraagd had om in dat zogenaamde bootje te stappen?
Als mensen naar een datum vroegen, gaf ik een vaag antwoord dat het allemaal toch nog zo lang duurt en dat we het allemaal wel zien. Als mensen vroegen of we al plannen hadden voor onze bruiloft, viel ik over het woord ‘bruiloft’ en ging ik daar vervolgens op in (ik wil niet het een ‘bruiloft’ heet, vreselijk!), in plaats van antwoord te geven op de vraag. Als mensen me feliciteerden, omdat ze blijkbaar onder een steen geleefd hadden en het nog niet eerder vernomen hadden, kreeg ik een vaag gevoel in mijn buik. Wilde ik eigenlijk nog wel?
Ja, ik wil. Dat is wel duidelijk. Ik werd zo negatief over dat hele trouwgedoe, dat mensen er niet eens meer over durfden te beginnen. Tien jaar lang wilde ik niet, totdat vriendlief en ik een duidelijk beeld hadden van hoe we dat dan op ‘onze eigen manier’ zouden kunnen doen. Of beter: het was voor mij duidelijk hoe we het allebei NIET wilden. Wat we wel willen, tja… Het duurt tenslotte nog heel lang…
Twee weken terug zaten we op zondagochtend in onze pyjamapakjes op de bank. We hadden die ochtend een heleboel nuttige dingen kunnen doen, maar dat verschoof ik naar de dag erna, mijn vrije dag. We waren fijn aan het kletsen en al snel ging het over onze trouwplannen. Wat willen we dan? Wie willen we dan? Wanneer?
Inmiddels heb ik een mapje op het bureaublad aangemaakt met als titel: trouwen. Er staat een bestandje in voor de kosten, de gastenlijst en een opzetje voor het dagprogram. Voor mijn gevoel ben ik er al heel serieus mee bezig geweest. Heus waar! Ik heb er zelfs al zin in gekregen. Het is niet te geloven. We hebben op de digitale snelweg tal van foute feestzalen bekeken (nou vind ik iets al snel heel fout en niet perfect genoeg).
Ik heb zelfs op een jurkensite gekeken! Stiekem heb ik de ideale jurk al in mijn hoofd en heb ik er best zin in om binnenkort al een keer te gaan kijken. We weten zelfs al ongeveer hoe de dag (lees: eind van de middag en avond) er uit zullen gaan zien. Ieks, wat eng!
Sinds twee weken zeg ik vol trots tegen mensen ‘Ik ga trouwen!’ en maak ik zelfs grapjes over taarten die zuslief kan bakken als ik bij een kookwinkel een bakvorm in de vorm van een hart zie liggen.

Maar waag het niet om het woord bruiloft in je mond te nemen…

Is de chilipeper vernoemd naar het land, omdat dat de vorm van een chilipeper heeft?

Ik houd van pittig
eten
Rode peper beter dan een potje
Chili’s worden leeggeschud
Zaden verdwijnen, rode vel
gesnipperd
Eten, wat heet!

Op de bank werkt de peper
het best
Neuspeuteren
Niet doen!
Denk ik altijd
te laat

Lees mij!

Zuslief leest het NRC. Ik ben geen simpele ziel, maar vind NRC soms ietwat té intelligent. Ze kon iemand een proefabonnement op deze hoogstaande krant cadeau doen. Dacht gelijk aan mij. Wat een eer. Gelukkig koos ze voor de jongere versie: NRC-Next. Deze is een stuk kleiner en ziet er iets jeugdiger uit. Al vaker hadden wij een (proef)abonnement op een andere krant, maar keer op keer merkten we dat we best geïnteresseerd zijn in nieuws, maar dat we er (‘s ochtends) geen tijd voor hebben.
Per ongeluk kregen we de afgelopen weken van de bezorger ook wel eens een andere krant (Volkskrant en Trouw), die ons nog meer bevielen. Oftewel: NRC-Next is niets, we hebben nog steeds geen tijd voor een krant en als we er al voor kiezen, dan wordt het waarschijnlijk de Volkskrant.

Acht jaar geleden werkte ik voor twee weken in een callcenter. Naar werk. Mensen lastig vallen en ze ook nog overtuigen dat ze iets moeten doen/ kopen. Vanaf dat moment zie ik het als een sport om op een zo bijdehand mogelijke manier van vervelende telefoontjes af te komen. Bluffen (‘Mijn vriend werkt bij de Nuon, mevrouw, dus ik heb geen interesse in OXXIO.’), moeilijk doen, wedervragen stellen of net doen alsof ik niet de persoon was die ze zochten (mijn achternaam spreken ze doorgaans verkeerd uit: ‘Nee, sorry die is er niet!’). Tegenwoordig staan we ingeschreven in het Bel-me-niet-register. Wat een uitvinding!

Na vier weken proefabonnement kon ik verwachten dat het NRC ons ook nog zou bellen. Ik heb van de gelegenheid gebruik gemaakt om ze te bedanken. Ik heb gebluft dat we door het foutje van hun bezorger hebben besloten dat we nu een abonnement op de Volkskrant af gaan sluiten.
‘Oh…’ was haar enige reactie. Daar was ik snel van af.
Mooi zo! Weet zij veel dat we het gewoon bij de digitale versie van de krant houden…

Bodyscan gezocht!

Wie verzint het nou om op zaterdag naar Zweedse Billy’s, Glimma’s en Kottes te gaan spotten? Samen met ons vele, vele anderen. Na een paar uur langs alle interessante frutsels, gadgets, praktische accessoires en handige opbergdozen te hebben gestruind, vonden we het ook nog wel even handig om langs een groot tuincentrum te gaan.
Gelukkig was hier geen mens te zien, want niemand verzint het blijkbaar om in zo’n koude maand iets met de tuin te doen. Gelukkig. Bij de ingang verwelkomde het klaphekje ons met de tekst: Onze kassamedewerkers hebben het recht om uw tas te controleren. Prima. Ik heb niets te verbergen. Dat ik juist altijd een beetje rebels word van zo’n tekst en op het idee word gebracht om juíst iets stiekems mee te nemen, laten we even buiten beschouwing. Het blijft maar een rebelse gedachte, waar ik niets mee doe.
Verspreid door de winkel werd dezelfde boodschap nog vele malen verkondigd. Ik werd er niet warm of koud van. Wel van de winkel zelf, aangezien het grootse kweekkas is, waar het in de zomer erg warm is, maar nu niet. Bij de kassa stond ik lang te wachten (vriendlief was inmiddels nog even teruggegaan naar de bouwmarkt aan de overkant). In mijn linkerhand de rode uien die we binnenkort – als het ooit nog lente wordt – gaan planten, in mijn rechterhand het plastic tasje van de bouwmarkt aan de overkant en over mijn schouder hing mijn handtas. Schoudertas dus, want mijn handen waren verre weg van die bewuste tas. Ik wilde maar één ding betalen. Was dat soms verdacht? Voor mij kochten mensen zoutblokken voor de cavia, kamerplanten (die bij het Zweedse warenhuis een stuk goedkoper waren), vogelzand (vast om van die lelijke windlichten mee te vullen, jaks!), orchideevoedsel en lantaarns. Niemand liet mij voor, ook al had ik maar één ding. Geen probleem, ik had tijd zat.
‘Mag ik uw plastic tas even controleren, mevrouw?’ vroeg een puisterig pubermeisje achter de kassa.
‘Natuurlijk!’ zei ik zo nonchalant mogelijk, zodat zij zich hopelijk schuldig zou voelen, omdat ze het gevraagd had. Stiekem hoopte ik dat er iets in zou zitten wat ze bij de bouwmarkt en bij het tuincentrum verkopen. In de hoop dat ze zou gaan twijfelen, maar niets van dat al.
Ondanks dat ik al zeker zeven keer gewaarschuwd was dat het zou kunnen gebeuren, voel je je toch altijd een beetje betrapt. Ook al heb je niets te verbergen. Helemaal als verder niemand eruit gepikt wordt. Dit was het moment dat ik nog dacht: Vervelend voor mij, maar ik snap best dat ze zo min mogelijk winkeldiefstal willen.
Totdat… ik bij de uitgang van dit tuincentrum werd tegengehouden door twee beveiligingsmedewerkers. Op het moment dat ik dacht: Het lijkt hier potdorie het vliegveld wel! werd ik naar een tafel aan de zijkant gedirigeerd.
‘Wilt u even uw tas openen, mevrouw?’
‘Alweer!?’
Ditmaal moest mijn schoudertas worden geopend. Ik kwakte ‘m op tafel neer en zei gepikeerd:
‘Kijk dan!’
Een blik was al genoeg. Ritsjes hoefden niet te worden geopend en mijn agenda kon gewoon blijven liggen, terwijl daaronder papiertjes met hardgeworden stukken kauwgom, verfrommelde boodschappenlijstjes en elastiekjes lagen. Hoe kon hij het nou al zo snel zien? Waarom moest ik twee keer mijn tas openen? Normaal gesproken heb ik toch best een betrouwbaar uiterlijk, het lieve-meisjeseffect.
Buiten dat ik me alles behalve welkom voelde in deze winkel, was ik nog het meest gepikeerd van wat de beveiligingsmedewerker zei toen ik mijn tas mocht sluiten en door mocht lopen.
‘Bedankt en fijne feestdagen, mevrouw!’
Oh my dog! Fijne feestdagen? Hij zei het op zo’n nonchalante manier, dat ik bijna aan mezelf begon te twijfelen. Had ik iets over het hoofd gezien? Pasen? Drie koningen? Gaan we elkaar ook al fijne feestdagen wensen in het carnavalsweekend? Of erger nog: voor Valentijnsdag!?
Thuis kon ik het niet laten om het tuincentrum een e-mail te sturen. Daar kreeg ik het dan wel weer warm van.

Waarom heet het voorjaarsvakantie als ik het voorjaar nog niet eens kan ruiken?

Doorgaans haal ik heel veel energie uit mijn werk. Sterker nog, ik zie het lesgeven vaak meer als tijdverdrijf dan als werk. Het is mooi meegenomen dat ik er ook nog iets geld aan overhoud. Met de nadruk op iets.
Afgelopen week zat ik er even helemaal doorheen. Blegh. Had het gehad. De januari- en februariblues komt dit jaar heftiger aan dan andere jaren. Vriendlief was ziek geweest en werd nogmaals ziek, het huis was een rommeltje en ik was moe. Op zulk soort momenten kan ik mavo-4-leerlingen niet altijd hebben. Dit ruiken de betreffende leerlingen, waardoor zij zich nog meer gaan gedragen als mavo-4-leerlingen. Gevolg: elke scheet die wordt gelaten, elke opmerking die wordt gemaakt en elke overbodige vraag die wordt gesteld is me al te veel. Ik word boos, de leerling nog vervelender, ik nog bozer, ik krijg nog minder zin in de lessen, ik kan de krenten in de pap niet meer vinden en de leerling wordt eruit gestuurd. Ik stuur leerlingen er nooit uit. Gebeurt het wel, dan is het een signaal voor mij. Ojee, waar zijn we mee bezig, Lotte?

Dat ik vervolgens ook nog een toets kwijtraakte maakte het allemaal nog erger. Een gemaakte toets. Van een hele klas. Een examenklas. Na vier dagen heb ik ze nog steeds niet gevonden. Verdwenen in een groot zwart gat. Per ongeluk weggegooid? Iemand ze meegenomen? Gejat? Kweenie.
Nog één week en dan in is het VOORJAARSVAKANTIE. Tulpen in overvloed in huis, de sneeuwklokjes komen al boven in de tuin en over zes weken is het LENTE! 

Carwash

Net zoals zoveel mensen ben ik erg bang voor het onbekende. Ja, ik weet dat ik af en toe over mijn eigen grenzen moet en weet ook dat dat onbekende mij enorm veel kan bieden. Sommige dingen blijven eng en vreemd. Zoals de auto. Wat dat betreft ben en blijf ik een vrouw.
Vorige week was vriendlief voor de tweede maal in twee weken tijd ziek. Arme hij. Het voordeel voor mij is dat ik ‘s ochtends tijdwinst heb. Behalve dat ik voor hem een ontbijtje moet maken, hoef ik me geen drie paar sokken en een extra legging aan. Om over die extra handschoenen, mutsen en sjaals nog maar te zwijgen. Onze oranje bolide rijdt dan namelijk voor mij! Voor vriendlief ook handig, want dan ben ik ‘s middags extra snel thuis om hem weer te vertroetelen.
‘Ik weet niet of er nog genoeg benzine in zit, lief!’ tipte vriendlief mij voordat ik wegging.
‘Toch wel genoeg om op school aan te komen?’
Er volgde een te lange stilte en een vaag antwoord. Ik zag het al helemaal voor me: te laat op school, omdat de auto halverwege de weg naar school pruttelend tot stilstand is gekomen. Ik heb tankangst. Sterker nog, ik probeer me zo min mogelijk in tankrituelen te verdiepen, want dat mag vriendlief wel doen. Totdat het natuurlijk noodzakelijk is om het wel te doen. Ik heb al meerdere keren gehad dat het klepje nog openstond terwijl ik wegreed, dat ik aan de verkeerde kant van de pomp stond, omdat het klepje zich aan de andere kant van de auto bevindt of dat er niets uit de slang kwam, omdat ik blijkbaar eerst mijn pasje door de gleuf zou moeten doen.
Bij tanken worden er zoveel handelingen van mij vereist, dat ik van tevoren al bang ben dat er iets misgaat of dat ik iets vergeet. Nog banger ben ik dat benzine mors. Of dat ik de verkeerde vloeistof uit de pomp laat lopen. Ojee!
Deze keer belde ik vriendlief. Bij het opnemen gromde hij iets, wat waarschijnlijk betekende: Ik wil wel hallo zeggen, maar heb de hele nacht boven de pot gehangen, dus daar heb ik de kracht niet meer voor.
‘Wat moet er ook al weer in?’
Gegniffel van zijn kant. Daar had hij dus nog wel energie voor. Ook voor het verwijt dat ik dat toch wel had moet weten, had hij genoeg kracht.
Ik weet ook heus wel dat ik dan vaker moet oefenen met tanken. Dat ik zelfverzekerd moet worden bij de pomp. Jaaaaa!  Maar ik kan ook niet fileparkeren. En weet ook niet waar de mistlamp zit. Alles onder de motorkap vind ik nog veel enger. Misschien moet ik een dagje in een garage gaan werken.

12 augustus 2009

Na tweeënhalve week in het grootste land van Zuid-Amerika te hebben rondgetrokken, zijn we inmiddels anderhalve dag in Salvador. We wringen ons vandaag door de stad om de ‘Bonfimkerk’ te bezoeken. Hier wordt een lintje om onze pols geknoopt. We doen een wens en deze zal, volgens de reisgids, uitkomen als het lintje vanzelf afvalt. We trippelen van de kerk naar een prachtig fort. De steile straten laten onze voeten sneller lopen dan we aan kunnen met deze hitte. We zuigen alles in ons op wat we zien: gymschoenen die vastgebonden zijn aan elektriciteitsdraden, de turkooizen zee die de wijk omarmt en de lokale bevolking die in de voortuin de laatste roddels doorneemt. Na het bezoek aan het stralend witte fort, besluiten we richting bushalte te slenteren, zodat we weer in het centrum zullen uitkomen. We doorkruisen de wijk en slaan een rustig straatje in dat parallel loopt aan het strand. We passeren de achterkant van strandtenten, die aan de voorkant vast wel vrolijkheid uitstralen.
We denken dat we geoefend zijn in het signaleren van onveilige straatjes en deze straat straalt geen gevaar uit. De stoep is niet breed en we moeten regelmatig wijken voor lantaarnpalen. Het is handiger als we achter elkaar lopen. Vriendlief draagt de rugzak, waarin twee fototoestellen elkaar vergezellen. Nimmer namen we ze allebei mee; elke dag hebben we gewikt en gewogen wat we in onze knapzak zouden stoppen. Vandaag zijn we blijkbaar iets te nonchalant en onbezonnen geweest. We sjokken door de hete straat. Aan de rechterkant passeert een jongeman ons. Plotseling grijpt de hij met twee handen naar de rugzak die over de schouder van vriendlief hangt. Wekenlang spookt het al door mijn hoofd dat zoiets zou kunnen gebeuren. De twee fototoestellen! denk ik.
Al snel ben ik er van overtuigd dat die tas me niets interesseert, maar dat we nu aan onszelf moeten denken (dat stond tenslotte in de ANWB-gids).
‘Laat die tas alsjeblieft los, lief!’ schreeuw ik. In de ogen van beiden mannen zie ik dat ze allebei niet van plan zijn om de tas los te laten. De Braziliaan stompt tegen vriendliefs schouder. Het is duidelijk dat hij geen wapen bij zich heeft, maar stel je voor dat één van zijn vriendjes dat wel heeft? Beiden geven niet op. Ze trekken en schreeuwen. Ik ben in paniek als ik zie dat de jongeman zijn arm om die van vriendliefs keel slaat. Met zijn sterke arm houdt vriendlief de rugzak vast en kan de straatrover niet van zich af slaan. Mijn geschreeuw is overtuigend genoeg; vriendlief laat los.
In een fractie van een seconde staan we niet meer te touwtrekken om een rugzak, maar rennen we door de straat. De jongeman draagt onze rugzak en wij rennen erachteraan op onze Havaianas. Door ons geschreeuw zijn buurtbewoners gealarmeerd. Een man stapt op zijn brommer en zet de achtervolging in. Uit verschillende huizen komen mensen die zich ook aansluiten bij de optocht. Al die foto’s! De mensen die samen met ons achter de ladro aanrennen, schreeuwen. Zouden zij bij die Braziliaan horen? Zullen ze ons gaan helpen? Op dit moment vormen ze alleen nog maar een bedreiging voor me.
De rennende mensenmassa wordt alsmaar groter. Terwijl vriendlief nog hard blijft rennen, vertraag ik mijn pas. Ik hijg en ik puf. Een man met zwarte krullen komt naar mij toe.
‘What’s going on?’ vraagt hij me. Gelukkig, iemand die Engels kan! Ik zie op het plein dat een hele meute zich bij ons aansluit. Op een schoolplein draait een grote groep jongens zich onze kant op en zet een sprint in. Die moeten vast de bus halen.
‘Two fototoestels!’ is het enige dat ik kan uitbrengen in krom Engels. Toch begrijpt de aardige krullenbol me en hij begeleidt me richting strand. Zal vriendlief de dader al hebben? Zitten we straks op het politiebureau voor een uitgebreid papierencircus? Krijgen we onze spullen nog terug? Helpen deze mensen ons echt allemaal? Het lijkt wel een film. Een pukkelende puber komt naar me toe met onze rugzak.
‘Do you want to buy this?’ vraagt hij brutaal, terwijl hij de lege rugzak omhoog houdt. Ik gris de tas uit zijn handen en de krullenbol snauwt in het Portugees dat het míjn tas is.
Voor mij is het een uitgemaakte zaak: de dief is met de inhoud van de tas een huis ingevlucht en die zijn we kwijt. Ik sjok het strand op en zie dat het gehele strand vol staat met mensen. Ruim honderdvijftig man staat op het smalle strookje zand. Een plek die er een kwartier geleden, vanaf het fort, nog verdomd leeg uitzag.
‘Is that the guy?’ Ik kijk naar de plek waar de krullenbol naar wijst. In de zee staat een jongen in een wit t-shirt. Eromheen staan meerdere mensen met stokken in de hand. Gelukkig, ze hebben hem! is mijn eerste gedachte. Een meisje komt naar me toe met mijn reisdagboek. Een end verderop zie ik onze ANWB-reisgids opengeslagen liggen. Iemand reikt de zonnebrandcrème aan. Vriendliefs petje ligt in het zand.
Nog steeds weet ik niet hoe dit gaat aflopen. Vriendlief staat tien meter verder staat in de menigte. Hij heeft een flesje water gekregen van een bezorgde oude vrouw. Hij staat opgelucht met zijn dure camera in zijn handen. Deze blijkt iets beschadigd en het lenskapje is niet te vinden.
‘En de andere camera?’ Terwijl ik dit vraag, steekt hij zijn hand in zijn zak en haalt ons kleine fototoestel te voorschijn. De Brazilianen, die toch wel sensatiebelust blijken, adviseren ons de fototoestellen direct te gebruiken om het schouwspel in de zee vast teleggen. Intussen zien we dat de jongeman wordt geslagen met de stokken. Door het water lijkt hij nog erger te bloeden. Een gepaste straf vindt menigeen, maar het is voor mij iets te gek. Zo gaat dat bij ons niet. Ik wil niet dat hij met stokken geslagen wordt, laat staan dat ik er foto’s van maak. Straks slaan ze hem dood! De lokale bevolking voelt zich schuldig en wil niet dat één rotte appel het beeld dat toeristen van Brazilianen hebben, vertroebelt.
Ik voel me opgelaten: al die mensen die zich voor ons opofferen. Ik blijf ze bedanken, terwijl ik me zorgen maak over de jongeman die flink verwond wordt in de zee. Ik ben blij dat ze hem gepakt hebben, maar vind dat we niet voor eigen rechter moeten spelen. Nadat ik paniekerig krijs en smeek of ze willen stoppen, wordt de jongeman ‘geboeid’ uit het water gehaald. Een passerende schoonmaker geeft hem nog een rechtse. Druipend van het zoute water en bebloed van het geweld dat hem is aangedaan, kijkt hij enigszins teleurgesteld: vandaag heeft hij geen buit!
De buurtbewoners tippen ons de buurt zo snel mogelijk te verlaten. De jongeman houden ze goed vast, dus die kan ons niets meer doen. Ik vind het vervelend om onze helden te verlaten. Ik kan ze niet genoeg bedanken. Vriendlief en ik overspoelen elkaar met het avontuur dat we de afgelopen minuten hebben meegemaakt. Stuiterend van de adrenaline beseffen we wat we hebben meegemaakt. We wachtend bij de bushalte en we zien een auto van de militaire politie aankomen. Drie mannen met een angstaanjagende blik in de ogen stappen op ons af.
‘Welcome to Brasil!’ grapt de jongste van de drie. Hij staat met een meterlang wapen in zijn handen. Dat we al enige tijd in het land verblijven en er nog niets gebeurd was, kan hij niet begrijpen. Hij houdt een bus voor ons tegen. In de bus poetsen we het bloed van de camera. Blijkbaar was de ladro al verwond voordat hij de camera’s in het zand dropte.
Op de hotelkamer komen we erachter dat we niet alles terug hebben. Een pakje sultana’s is net als de lenskap achtergebleven op het strand. De komende dagen zal ik me nog vaak afvragen of ik niet had moeten ingrijpen. Wat is de achtergrond van deze jongeman? Hadden wij geen geweld moeten gebruiken? Hoe hadden we dit kunnen voorkomen? Wat zal er met de jongeman gebeuren?

Gelukkig hebben we de foto’s nog. En een interessant verhaal voor thuis…