Na tweeënhalve week in het grootste land van Zuid-Amerika te hebben rondgetrokken, zijn we inmiddels anderhalve dag in Salvador. We wringen ons vandaag door de stad om de ‘Bonfimkerk’ te bezoeken. Hier wordt een lintje om onze pols geknoopt. We doen een wens en deze zal, volgens de reisgids, uitkomen als het lintje vanzelf afvalt. We trippelen van de kerk naar een prachtig fort. De steile straten laten onze voeten sneller lopen dan we aan kunnen met deze hitte. We zuigen alles in ons op wat we zien: gymschoenen die vastgebonden zijn aan elektriciteitsdraden, de turkooizen zee die de wijk omarmt en de lokale bevolking die in de voortuin de laatste roddels doorneemt. Na het bezoek aan het stralend witte fort, besluiten we richting bushalte te slenteren, zodat we weer in het centrum zullen uitkomen. We doorkruisen de wijk en slaan een rustig straatje in dat parallel loopt aan het strand. We passeren de achterkant van strandtenten, die aan de voorkant vast wel vrolijkheid uitstralen.
We denken dat we geoefend zijn in het signaleren van onveilige straatjes en deze straat straalt geen gevaar uit. De stoep is niet breed en we moeten regelmatig wijken voor lantaarnpalen. Het is handiger als we achter elkaar lopen. Vriendlief draagt de rugzak, waarin twee fototoestellen elkaar vergezellen. Nimmer namen we ze allebei mee; elke dag hebben we gewikt en gewogen wat we in onze knapzak zouden stoppen. Vandaag zijn we blijkbaar iets te nonchalant en onbezonnen geweest. We sjokken door de hete straat. Aan de rechterkant passeert een jongeman ons. Plotseling grijpt de hij met twee handen naar de rugzak die over de schouder van vriendlief hangt. Wekenlang spookt het al door mijn hoofd dat zoiets zou kunnen gebeuren. De twee fototoestellen! denk ik.
Al snel ben ik er van overtuigd dat die tas me niets interesseert, maar dat we nu aan onszelf moeten denken (dat stond tenslotte in de ANWB-gids).
‘Laat die tas alsjeblieft los, lief!’ schreeuw ik. In de ogen van beiden mannen zie ik dat ze allebei niet van plan zijn om de tas los te laten. De Braziliaan stompt tegen vriendliefs schouder. Het is duidelijk dat hij geen wapen bij zich heeft, maar stel je voor dat één van zijn vriendjes dat wel heeft? Beiden geven niet op. Ze trekken en schreeuwen. Ik ben in paniek als ik zie dat de jongeman zijn arm om die van vriendliefs keel slaat. Met zijn sterke arm houdt vriendlief de rugzak vast en kan de straatrover niet van zich af slaan. Mijn geschreeuw is overtuigend genoeg; vriendlief laat los.
In een fractie van een seconde staan we niet meer te touwtrekken om een rugzak, maar rennen we door de straat. De jongeman draagt onze rugzak en wij rennen erachteraan op onze Havaianas. Door ons geschreeuw zijn buurtbewoners gealarmeerd. Een man stapt op zijn brommer en zet de achtervolging in. Uit verschillende huizen komen mensen die zich ook aansluiten bij de optocht. Al die foto’s! De mensen die samen met ons achter de ladro aanrennen, schreeuwen. Zouden zij bij die Braziliaan horen? Zullen ze ons gaan helpen? Op dit moment vormen ze alleen nog maar een bedreiging voor me.
De rennende mensenmassa wordt alsmaar groter. Terwijl vriendlief nog hard blijft rennen, vertraag ik mijn pas. Ik hijg en ik puf. Een man met zwarte krullen komt naar mij toe.
‘What’s going on?’ vraagt hij me. Gelukkig, iemand die Engels kan! Ik zie op het plein dat een hele meute zich bij ons aansluit. Op een schoolplein draait een grote groep jongens zich onze kant op en zet een sprint in. Die moeten vast de bus halen.
‘Two fototoestels!’ is het enige dat ik kan uitbrengen in krom Engels. Toch begrijpt de aardige krullenbol me en hij begeleidt me richting strand. Zal vriendlief de dader al hebben? Zitten we straks op het politiebureau voor een uitgebreid papierencircus? Krijgen we onze spullen nog terug? Helpen deze mensen ons echt allemaal? Het lijkt wel een film. Een pukkelende puber komt naar me toe met onze rugzak.
‘Do you want to buy this?’ vraagt hij brutaal, terwijl hij de lege rugzak omhoog houdt. Ik gris de tas uit zijn handen en de krullenbol snauwt in het Portugees dat het mÃjn tas is.
Voor mij is het een uitgemaakte zaak: de dief is met de inhoud van de tas een huis ingevlucht en die zijn we kwijt. Ik sjok het strand op en zie dat het gehele strand vol staat met mensen. Ruim honderdvijftig man staat op het smalle strookje zand. Een plek die er een kwartier geleden, vanaf het fort, nog verdomd leeg uitzag.
‘Is that the guy?’ Ik kijk naar de plek waar de krullenbol naar wijst. In de zee staat een jongen in een wit t-shirt. Eromheen staan meerdere mensen met stokken in de hand. Gelukkig, ze hebben hem! is mijn eerste gedachte. Een meisje komt naar me toe met mijn reisdagboek. Een end verderop zie ik onze ANWB-reisgids opengeslagen liggen. Iemand reikt de zonnebrandcrème aan. Vriendliefs petje ligt in het zand.
Nog steeds weet ik niet hoe dit gaat aflopen. Vriendlief staat tien meter verder staat in de menigte. Hij heeft een flesje water gekregen van een bezorgde oude vrouw. Hij staat opgelucht met zijn dure camera in zijn handen. Deze blijkt iets beschadigd en het lenskapje is niet te vinden.
‘En de andere camera?’ Terwijl ik dit vraag, steekt hij zijn hand in zijn zak en haalt ons kleine fototoestel te voorschijn. De Brazilianen, die toch wel sensatiebelust blijken, adviseren ons de fototoestellen direct te gebruiken om het schouwspel in de zee vast teleggen. Intussen zien we dat de jongeman wordt geslagen met de stokken. Door het water lijkt hij nog erger te bloeden. Een gepaste straf vindt menigeen, maar het is voor mij iets te gek. Zo gaat dat bij ons niet. Ik wil niet dat hij met stokken geslagen wordt, laat staan dat ik er foto’s van maak. Straks slaan ze hem dood! De lokale bevolking voelt zich schuldig en wil niet dat één rotte appel het beeld dat toeristen van Brazilianen hebben, vertroebelt.
Ik voel me opgelaten: al die mensen die zich voor ons opofferen. Ik blijf ze bedanken, terwijl ik me zorgen maak over de jongeman die flink verwond wordt in de zee. Ik ben blij dat ze hem gepakt hebben, maar vind dat we niet voor eigen rechter moeten spelen. Nadat ik paniekerig krijs en smeek of ze willen stoppen, wordt de jongeman ‘geboeid’ uit het water gehaald. Een passerende schoonmaker geeft hem nog een rechtse. Druipend van het zoute water en bebloed van het geweld dat hem is aangedaan, kijkt hij enigszins teleurgesteld: vandaag heeft hij geen buit!
De buurtbewoners tippen ons de buurt zo snel mogelijk te verlaten. De jongeman houden ze goed vast, dus die kan ons niets meer doen. Ik vind het vervelend om onze helden te verlaten. Ik kan ze niet genoeg bedanken. Vriendlief en ik overspoelen elkaar met het avontuur dat we de afgelopen minuten hebben meegemaakt. Stuiterend van de adrenaline beseffen we wat we hebben meegemaakt. We wachtend bij de bushalte en we zien een auto van de militaire politie aankomen. Drie mannen met een angstaanjagende blik in de ogen stappen op ons af.
‘Welcome to Brasil!’ grapt de jongste van de drie. Hij staat met een meterlang wapen in zijn handen. Dat we al enige tijd in het land verblijven en er nog niets gebeurd was, kan hij niet begrijpen. Hij houdt een bus voor ons tegen. In de bus poetsen we het bloed van de camera. Blijkbaar was de ladro al verwond voordat hij de camera’s in het zand dropte.
Op de hotelkamer komen we erachter dat we niet alles terug hebben. Een pakje sultana’s is net als de lenskap achtergebleven op het strand. De komende dagen zal ik me nog vaak afvragen of ik niet had moeten ingrijpen. Wat is de achtergrond van deze jongeman? Hadden wij geen geweld moeten gebruiken? Hoe hadden we dit kunnen voorkomen? Wat zal er met de jongeman gebeuren?
Gelukkig hebben we de foto’s nog. En een interessant verhaal voor thuis…